Page 9 - Geschiedenis van het Apeldoorns Kanaal
P. 9
Bij de totale waterverliezen van een pand spelen nog enkele andere factoren een rol, zoals lekkage door sluisdeuren, wegzijging door een poreuze kanaalbodem, door onderwatertaluds van de kanaaldijken en door verdamping
Bij het ontwerp van een kanaal was dus een van de belangrijkste vraagstukken hoe men aan voldoende water voor de voeding van het hoogste pand kon komen
Allereerst werd een (voorlopig) tracé vastgesteld en werd het terrein verkend. Het ontbreken van goede topogra sche kaarten was in het begin van de 19e eeuw daarbij een majeur probleem Landmetingen, zoals het meten van hoogteverschillen, waterpassing en proefboringen om de samenstelling van de ondergrond vast te stellen waren essentiële onderdelen van het onderzoek
Zoals hierboven beschreven werd er ook veel aandacht besteed aan de voeding van het kanaal Daarbij moest ten eerste de hoeveelheid water berekend worden die het kanaalsysteem nodig zou hebben en ten tweede waar dit water beschikbaar was
Bij het vaststellen van het de nitieve tracé door middel van piketpaaltjes kwamen ook zaken aan de orde als het gewenste kanaalpro el en de locaties van sluizen en bruggen De locatie van de sluizen was afhankelijk van de hoogteverschillen in het terrein Bruggen werden meestal gepland op plaatsen waar bestaande wegen het kanaaltracé kruisten Met al deze gegevens werden uiteindelijk min of meer geschikte kaarten gemaakt, die gebruikt werden bij de aanleg van het kanaal
Tevens moest terrein, dat nodig was voor het graven van het kanaal, worden aangekocht of onteigend Daarbij ontstonden vaak problemen met de grondeigenaren, die het niet altijd eens waren met het uitgezette tracé en bijvoorbeeld piketpaaltjes vernielden of verwijderden, zoals bij de aanleg van de Zuid-Willemsvaart in 1821 gebeurde
Boeren werden soms zonder nader overleg afgesneden van hun landbouwgrond Veldwachters kregen dan ook de opdracht om de piketpaaltjes dagelijks te inspecteren en eventueel boetes uit te delen Als het de nitieve tracé was vastgesteld werd dit verdeeld in een aantal percelen en werd het graven aanbesteed Daarna kon het echte werk beginnen: het graven van het kanaal De uit te graven percelen waren gescheiden door dammen of door een bekisting met een aarden wal In elk perceel kon dus, onafhankelijk van elkaar, met meerdere ploegen tegelijk worden gewerkt Op deze wijze hadden ongelukken, zoals grondverschuivingen, dijkdoorbraken en problemen met kwelwater dus geen gevolgen voor het werk in een aangrenzend perceel
De graafwerkzaamheden werden in aanvang zoveel mogelijk in den droge verricht De grond werd met schoppen in kruiwagens of manden geschept en over smalle planken boven op de kanaaloever gekruid of gedragen Hier werd de grond uitgestort en over de in aanbouw zijnde kanaaldijk verdeeld
Hoe dieper er gegraven werd, des te meer last werd ondervonden van kwel- en grondwater In het midden van de kanaalbodem, op het laagste punt, werd daarom een draineersleuf gegraven waarin dit water kon stromen
Het water in de sleuf moest natuurlijk worden afgevoerd en dat gebeurde meestal met handbediende hoosbakken, primitieve watermolens met een schroefas, die door mankracht werd bewogen Ook werden door
DE AANLEG VAN DE NIEUWE VAART (1825-1829) 23

